Onderzoek

I. Het ongeval

Op maandag 15 februari 2010 botst de P-trein CR E3678 van Leuven naar ’s Gravenbrakel om 08.28u bijna frontaal met de IC-trein E1707 van Quiévrain naar Luik-Guillemins, net na het station van Buizingen richting Halle.

Op het ogenblik van de aanrijding bevinden zich nog twee andere treinen vlakbij, zij zijn niet betrokken bij de feiten.

Bij het ongeval overlijden uiteindelijk 19 personen, waaronder de treinbestuurder van de IC-trein. Minstens 310 personen zijn gewond, waaronder de treinbestuurder van de P-trein en de 2 treinbegeleiders van deze treinen.


II. Onderzoek gestart door parket Brussel

Het parket Brussel vordert meteen na de feiten een onderzoeksrechter. Deze vraagt aan de spoorwegpolitie om het verder onderzoek te voeren en hij wijst een college van vijf deskundigen aan, met als opdracht alle mogelijke oorzaken van het treinongeval te onderzoeken.

Op 14 februari 2012 leggen de deskundigen een eerste verslag neer na een zeer uitgebreide en grondige expertise. Op 14 februari 2014 wordt nog een aanvullend verslag neergelegd nadat de onderzoeksrechter op 15 maart 2013 had gevraagd om de eerste besluiten verder uit te werken en aanvullend technisch onderzoek uit te voeren naar de oorzaken van het treinongeval.


III. Onderzoek overgenomen door parket Halle-Vilvoorde

Op 31 maart 2014 wordt het parket Halle-Vilvoorde opgericht. Het dossier van het treinongeval wordt door het parket Brussel aan het parket Halle-Vilvoorde overgedragen, gezien de plaats van het ongeval in het arrondissement Halle-Vilvoorde gelegen is.

Binnen het parket Halle-Vilvoorde wordt meteen een magistraat aangeduid om het tot dan gevoerde onderzoek te bestuderen en zich in het dossier in te werken. Deze komt tot de conclusie dat er ernstige aanwijzingen van schuld zijn t.a.v. de treinbestuurder van de P-trein, de NMBS en Infrabel.

Eind juni 2014 vraagt het parket dan ook aan de onderzoeksrechter om de deskundigenverslagen mee te delen aan de treinbestuurder en aan de vertegenwoordigers van de NMBS en Infrabel, hen hierover te verhoren en indien nodig in verdenking te stellen.

Op 17 september 2014 stelt de onderzoeksrechter de treinbestuurder van de P-trein , de NMBS en Infrabel in verdenking. Hij geeft eveneens opdracht aan de spoorwegpolitie om deze drie inverdenkinggestelden (verdachten) te verhoren en te confronteren met de bevindingen van de deskundigen.


IV. Onderzoeksrechter gaat op pensioen en wordt vervangen

Begin 2015 gaat de onderzoeksrechter op pensioen, waarna het onderzoek wordt overgenomen door één van zijn collega’s.

Eind 2014 vroeg de treinbestuurder van de P-trein de vertaling van een aantal stukken naar het Frans, en bijstand van een advocaat tijdens zijn verhoor. Er wordt aan deze vragen tegemoet gekomen en in maart 2015 laat de spoorwegpolitie hem weten dat de vertalingen beschikbaar zijn. Het verhoor wordt vervolgens verschillende keren uitgesteld op vraag van de treinbestuurder van de P-trein of zijn advocaat.

In maart 2015 bezorgen de NMBS en Infrabel hun schriftelijke opmerkingen op de deskundigenverslagen. In juni 2015 worden hun vertegenwoordigers verhoord door de spoorwegpolitie.

In juli 2015 legt de advocaat van de treinbestuurder van de P-trein een verzoekschrift neer om de onderzoeksrechter te ontslaan van het verder onderzoek en dit te laten verderzetten door een Franstalige onderzoeksrechter. De raadkamer verwerpt dit verzoek, waarna beroep wordt ingesteld bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze wijst het beroep af op 8 oktober 2015.
Er wordt nog cassatieberoep aangetekend, maar op 25 januari 2016 wordt hier afstand van gedaan door de treinbestuurder van de P-trein.

Het verhoor van de treinbestuurder van de P-trein vindt pas plaats op 1 juli 2016.

Intussen had de onderzoeksrechter in 2016 ook nog de opdracht gegeven om verschillende getuigen te verhoren. De laatste processen-verbaal met verhoren van getuigen worden in september 2016 aan het dossier gevoegd.

Op dat ogenblik meent de onderzoeksrechter dat het onderzoek afgerond kan worden en hij stuurt het dossier op 30 september 2016 terug naar het parket Halle-Vilvoorde.


V. Eindvordering van het parket Halle-Vilvoorde

Op 14 november 2016 stelt het parket Halle-Vilvoorde zijn eindvordering op.

Het parket vraagt daarin aan de raadkamer om de treinbestuurder van de P-trein, de NMBS en Infrabel te verwijzen naar de politierechtbank van Halle, voor drie inbreuken op artikel 422 van het Strafwetboek:

1) Onopzettelijk de oorzaak te zijn geweest van een treinongeval dat de personen die zich in de trein bevonden in gevaar kon brengen met de omstandigheid dat het ongeval de dood ten gevolge had (er zijn 19 personen overleden);

2) Onopzettelijk de oorzaak te zijn geweest van een treinongeval dat de personen die zich in de trein bevonden in gevaar kon brengen met de omstandigheid dat het ongeval enig lichamelijk letsel ten gevolge had (dit betreft minstens 310 slachtoffers);

3) Onopzettelijk de oorzaak te zijn geweest van een treinongeval dat de personen die zich in de trein bevonden in gevaar kon brengen (dit betreft minstens 310 personen, niet dezelfde als deze in de vorige tenlastelegging);

Het komt thans toe aan de raadkamer om te oordelen over de vraag tot verwijzing van de zaak naar de politierechtbank van Halle.